Hou je vast.
Je weet inmiddels hoe ik werk. Ik denk niet meer alleen in mezelf, ik denk tegen de machine. Dus zat ik laatst met een AI te sparren over dit stuk. Goed gesprek. Scherp, snel, vol ideeën.
Aan het eind vroeg ik om een samenvatting. Iets waarmee ik verder kon.
Ik kreeg veertien hoofdstukken! Ik vroeg om een samenvatting van mijn gedachten en ik kreeg een boek.
En toen moest ik lachen. Want dit is precies waar dit stuk over gaat.
We hebben machines gebouwd die nooit moe worden van maken. Er is altijd nog een hoofdstuk. Nog een idee. Nog een versie. Wanneer is het genoeg?
Zeven miljoen liedjes per dag
Spotify heeft zo’n 250 miljoen nummers in de catalogus. Wil je ze allemaal horen, dan ben je vijftienhonderd jaar bezig. Dag en nacht.
Op Suno, de app waarmee je met een paar zinnen een compleet nummer maakt, ontstaan er meer dan zeven miljoen per dag (!). Een complete Spotify in vijf weken.
En het blijft niet bij muziek. Vorige week publiceerde OpenAI in één klap 722 wiskundige manuscripten. Een paar uur rekentijd per resultaat. Een mens die zo’n paper grondig wil nakijken, is er maanden mee bezig. We maken kennis inmiddels sneller dan we haar kunnen begrijpen.
In onze Vibe Code Masterclass bouwen leiders die nog nooit een regel code schreven binnen een dag een werkende app.
Een reclamefilm maak je aan de keukentafel. En zo kan ik nog wel doorgaan.
Iedereen heeft ineens superkrachten.
Wie luistert er?
Maar het roept een vraag op: Als iedereen gaat praten, wie luistert er dan?
Bij Deezer weten ze het antwoord al. Daar was in juni voor het eerst meer dan de helft van alle nieuwe muziek volledig door AI gemaakt. Van wat er echt beluisterd wordt, is het één tot drie procent. En van die streams was in 2025 tot 85 procent nep.
Bots die luisteren naar muziek van bots.
Maar, terwijl productie exponentieel groeit, doen wij mensen dat niet. Onze dag heeft nog steeds vierentwintig uur, onze oren horen één nummer tegelijk. ok ok twee bij een goede DJ-mix.
In mijn boek noem ik aandacht de laatste schaarse grondstof. En aandacht is geen garantie voor waarde. Drie uur scrollen kost evenveel aandacht als drie uur praten met een goede vriend. Dezelfde tijd. Een totaal andere opbrengst.
Niet alles wat je aandacht trekt, verdient je aandacht.
Kijk naar eten. Ons brein is gebouwd om suiker en vet te zoeken, want eeuwenlang was eten schaars. Toen het overvloedig werd, werden we niet vanzelf gezonder. Volgens de WHO heeft inmiddels bijna de helft van alle volwassenen overgewicht.
Met informatie gebeurt hetzelfde. De feed is een candy store die nooit sluit en AI vult het sneller bij dan ooit. Cognitieve obesitas :) Vol zitten zonder gevoed te zijn.
Wie bezit de bijenkorf?
Stel dat elk bedrijf straks een perfecte advertentie kan maken. Prachtig beeld, precies de juiste toon, voor een paar euro. Geweldig. Voor het eerste bedrijf dat het doet.
Maar als iedereen het kan. Dan is perfect het nieuwe gemiddelde en rent iedereen harder om op dezelfde plek te blijven.
Daaronder ligt een grotere vraag. Iedereen kan maken. Maar wie verdient eraan? De rekenkracht, de modellen, de platforms, de data, straks de robots: dat zit bij een handvol partijen. Miljoenen mensen maken. Een paar bedrijven oogsten.
We gebruiken de krachtigste technologie ooit om een systeem te versnellen dat is ontstaan uit schaarste. Meer maken, meer verkopen, meer verdienen, meer hebben. Terwijl diezelfde technologie dat wiel misschien overbodig maakt.
Wat ik me dan afvraag: Als AI en robots het meeste werk doen, moeten we dan niet opnieuw nadenken over wie wat bezit? Is dat dan terug naar communisme?
Ik denk het niet. Al laat China zien dat een land met een communistische partij aan het roer enorme welvaart kan organiseren met een eigen mix van plan en markt. Maar ook daar gaat het uiteindelijk om de vraag wie de schaarste verdeelt.
Het communisme van de vorige eeuw draaide om een staat die schaarste verdeelt. Overvloed werkt anders. Als de kosten van maken richting nul gaan, hoef je niemand iets af te pakken om iedereen iets te geven. Wikipedia werkt al zo. Open source ook. Hokusai drukte zijn houtsneden van de berg Fuji rond 1830 bewust in grote oplage, zodat elk huishouden er een kon hebben.
Wie verdeelt er dan? Misschien is dat de verkeerde vraag. De betere vraag is: van wie zijn de machines? Noorwegen stopte de opbrengst van zijn olie in een fonds dat van alle Noren is. Alaska keert al sinds 1982 elke inwoner een jaarlijks dividend uit de olie uit. Geen communisme. Gewoon samen eigenaar van wat de bodem oplevert.
Waarom zou dat niet kunnen met AI? Rekenkracht, data en robots als gezamenlijke bodem. En daarop mag iedereen ondernemen, concurreren en bouwen wat hij wil.
Echte overvloed ontstaat niet door iets schaars te maken, maar door het zo te delen dat iedereen ervan kan profiteren.
Doe je dat niet, dan krijg je een wapenwedloop om overvloed. Wie de meeste chips, rekenkracht en data heeft, wint. De rest mag huren. AI imperialisme. En de Verenigde Staten onder Trump sturen daar openlijk op aan. Het witte huis noemde zijn AI plan vorig jaar niet voor niets Winning the Race.
Bij Innovation Network noemen we ons netwerk een hive mind: mensen, kennis en technologie die elkaar slimmer maken. Zo zie ik ook de samenleving voor me. Met één harde voorwaarde. Collectief welzijn is iets anders dan collectieve eenheidsworst. De grootste belofte van overvloed is juist dat we meer verschillende levens kunnen leiden.
Welke spelregels daarvoor nodig zijn? Ik weet het niet. Maar ik ken geen partij die op haar verkiezingsposter zet: wij geloven in exponentiële groei en een zachte landing voor iedereen.
Keynes was er bijna
In 1930 (de wereld gleed net de Grote Depressie in) schreef de Britse econoom John Maynard Keynes een kort essay. Economic Possibilities for our Grandchildren. Die kleinkinderen, dat zijn wij ongeveer.
Keynes voorspelde dat de levensstandaard in de rijke landen binnen honderd jaar vier tot acht keer zo hoog zou zijn. Daar zat hij behoorlijk dichtbij.
Hij voorspelde ook dat we dan nauwelijks nog hoefden te werken. Diensten van drie uur. Een werkweek van vijftien uur.
Waarom zat hij zo goed op het eerste, en zo mis op het tweede? Het antwoord staat in hetzelfde essay. Keynes onderscheidde twee soorten behoeften.
Absolute behoeften: Eten, een dak, warmte, gezondheid, veiligheid. Die kun je stillen. Wie verzadigd is, hoeft geen tweede bord.
Relatieve behoeften: die voel je alleen als ze je boven anderen uittillen. Status. Prestige. Het grotere huis, de snellere auto, het exclusievere feest. Over die tweede soort schreef Keynes dat ze weleens onverzadigbaar zou kunnen zijn.
Daar lijkt het wel op in deze AI wapenwedloop die doorsijpelt in de maatschappij.
Technologie is fantastisch in het vervullen van absolute behoeften. Relatieve behoeften schuiven gewoon op. Kan iedereen muziek maken dan wil je meer luisteraars dan de rest.
Keynes zag ook al welke vraag er dan zou overblijven: Hoe gebruik je je vrijheid van economische zorgen? Hoe vul je de vrije tijd die wetenschap en rente op rente voor je hebben gewonnen, om wijs, aangenaam en goed te leven?
Wijs, aangenaam en goed. Wat een mooie mooie omschrijving van een geslaagd leven.
Voor wie maak je het?
Dus wat doe je met al die superkrachten?
Maak wat je wilt. Een nummer, een app, een boek, een korte film. Maken is een van de mooiste dingen die een mens kan doen, en het is nog nooit zo makkelijk geweest.
Alleen: voor wie maak je het? en waarom?
Maak je het voor groei of status, dan stap je in een wedstrijd zonder finish. Er is altijd iemand met meer luisteraars, meer volgers, meer omzet. Dat zijn de relatieve behoeften van Keynes, en die raken nooit vol. Met zeven miljoen nieuwe nummers per dag wordt die wedstrijd alleen maar zwaarder.
Maak je het omdat je het leuk vindt, dan heb je al gewonnen op het moment dat je begint. Ik schrijf deze stukken ook voor mezelf. Formuleren is leren. Dat jij dit nu leest, is mooi meegenomen. En ja, stiekem hoop ik ook op meer lezers. Mijn ego doet gewoon mee. Ik probeer die alleen niet de overhand te geven.
De vrijheid om te maken geeft je nog geen recht op aandacht. Maar die aandacht heb je ook niet nodig als het maken zelf de beloning is.
Van groei naar bloei
We meten vooruitgang al heel lang in groei. Omzet, banen, consumptie. Dat doet ertoe. Groei haalt mensen uit armoede. Maar groei vertelt je hoeveel er gemaakt wordt. Hoe goed er geleefd wordt, vertelt het je niet.
Daar hebben de Engelsen een mooi woord voor: human flourishing. Floreren. In het Nederlands rijmt het zelfs. Van groei naar bloei.
Misschien is dat de echte belofte van al die machines. Laat hen maar maken voor de groei. Dan kunnen wij maken voor de bloei.
Als iedereen gaat praten, wie luistert er dan?
Het is een delicate balans. Wanneer slaat lekker eten om in te veel eten? Wanneer slaat iets creatiefs om in AI slop?
Ik denk op het moment dat het gaat jagen. Als maken voelt als haast. Als stress. Als iets wat moet, terwijl het iets was wat je wilde.
Bij mij werken drie stappen als ik weer eens te veel wil.
Sensing: voelen dat het kantelt van creatie naar obsessie.
Slowing: vertragen... even nergens op duwen... en letterlijk langzamer bewegen.
Softening: ik voel me letterlijk zachter en milder in mijn buik, voor mezelf en mijn omgeving. En wat er dan onbewust weer vanzelf naar boven komt is de liefde om iets te maken. Echt te maken.
En dat is genoeg.
Meer dan genoeg, eigenlijk.
Patrick


